Werkwoordspelling: d, t of dt?

Werkwoordspelling, het blijft altijd lastig. Schrijf ik nu een ‘d’, ‘t’ of ‘dt’ op het eind? In dit artikel zullen we de regels over de werkwoordspelling van Nederlandse werkwoorden opfrissen.

Ruben van Bakel

1. Tegenwoordige tijd

Het onderwerp bepaalt of een werkwoord wordt geschreven met een ‘d’ of een ‘t’ of ‘dt’ in de tegenwoordige tijd.

In de tegenwoordige tijd schrijft u het werkwoord als volgt:

Onderwerp Uitgang
Ik stam
Jij stam + t
Hij/zij/het stam + t
Wij stam + en
Jullie stam + en
Zij stam + en
U stam + t

Hieronder vindt u een aantal voorbeelden:

Werken Worden Lopen Proberen Landen
Ik werk Ik word Ik loop Ik probeer Ik land
Jij werkt Jij wordt Jij loopt Jij probeert Jij landt
Hij/zij/het werkt Hij/zij/het wordt Hij/zij/het loopt Hij/zij/het probeert Hij/zij/het landt
Wij werken Wij worden Wij lopen Wij proberen Wij landen
Jullie werken Jullie worden Jullie lopen Jullie proberen Jullie landen
Zij werken Zij worden Zij lopen Zij proberen Zij landen
U werkt U wordt U loopt U probeert U landt

1.1. Uitzondering: je/jij na persoonsvorm

Een uitzondering op de bovenstaande regel is het onderwerp ‘je’ of ‘jij’. Als ‘jij’ achter het werkwoord (persoonsvorm) komt te staan dan komt er geen ‘t’ achter de stam. Dit geldt ook voor het onderwerp ‘je’.

Jij/je vóór persoonsvorm Jij/je na persoonsvorm Voorbeeld
Jij wandelt Wandel jij/je Wandel jij/je hier vaak?
Jij werkt Werk jij/je Werk jij/je hier lang?

2. Verleden tijd

Als de stam van een zwak werkwoord eindigt op een medeklinker uit ’t kofschip (dat wil zegen de letters: t, k, f, s, ch, p maar ook x) dan krijgt het werkwoord in de verleden tijd ‘te’ of ‘ten’ achter de stam. In alle andere gevallen komt er ‘de’ of ‘den’ achter de stam van het werkwoord.

Een zwak werkwoord is een werkwoord dat niet verandert van klank als het van tijd verandert zoals: ‘stemmen’ (stemden), ‘regelen’ (regelden) en ‘trappen’ (trapten). Sterke werkwoorden veranderen wel van klank in de verleden tijd: ‘treffen’ (troffen), ‘lopen’ (liepen) en ‘eten’ (aten). We bespreken hieronder de zwakke werkwoorden.

2.1. De stam

Om te achterhalen wat de stam van het zwakke werkwoord is, neem je het gehele werkwoord en haal je daar ‘en’ af. Bijvoorbeeld: de stam van ‘werken’ is ‘werk’, de stam van ‘knijpen’ is ‘knijp’ en de stam van ‘lachen’ is ‘lach’.

Maar let op: de stam van proberen is probeer, de stam van stropen is stroop, de stam van durven is durf en de stam van verhuizen is verhuis.

Werken Wachten Proberen Landen
Ik werkte Ik wachtte Ik probeerde Ik landde
Jij werkte Jij wachtte Jij probeerde Jij landde
Hij/zij/het werkte Hij/zij/het wachtte Hij/zij/het probeerde Hij/zij/het landde
Wij werkten Wij wachtten Wij probeerden Wij landden
Jullie werkten Jullie wachtten Jullie probeerden Jullie landden
Zij werkten Zij wachtten Zij probeerden Zij landden
U werkte U wachtte U probeerde U landde

2.2. Werkwoorden met ‘v’/’z’

Sommige werkwoorden worden in de stamvorm met een ‘f’ of een ‘s’ geschreven terwijl het hele werkwoord geschreven wordt met een ‘v’ of een ‘z’. Bij dit soort werkwoorden wordt er gekeken naar de schrijfwijze van het volledige werkwoord.

Als het volledige werkwoord geschreven wordt met een ‘s’ of ‘f’ (bijvoorbeeld: dansen of surfen) dan eindigt het werkwoord op ‘te’ of ‘ten’ in de verleden tijd.

Als het volledig werkwoord geschreven wordt met een ‘z’ of een ‘v’ (bijvoorbeeld: niezen of verven) maar de stam geschreven wordt met een ‘s’ of een ‘f’ (bijvoorbeeld: nies of verf) dan komt er ‘de’ of ‘den’ achter de stam in de verleden tijd.

Niezen Dansen Verven Surfen
Ik niesde Ik danste Ik verfde Ik surfte
Jij niesde Jij danste Jij verfde Jij surfte
Hij/zij/het niesde Hij/zij/het danste Hij/zij/het verfde Hij/zij/het surfte
Wij niesden Wij dansten Wij verfden Wij surften
Jullie niesden Jullie dansten Jullie verfden Jullie surften
Zij niesden Zij dansten Zij verfden Zij surften
U niesde U danste U verfde U surfte

3. Voltooid deelwoord

Hoe kunt u een voltooid deelwoord herkennen? Hieronder geven we een aantal kenmerken van het voltooid deelwoord.

3.1. Kenmerken

Begint met ‘ge’, ‘ont’, ‘ver’, ‘be’ of ‘her’

Een voltooid deelwoord begint vaak met ‘ge’, ‘ont’, ‘ver’, of ‘be’ of ‘her’. Bijvoorbeeld: gedanst, ontslagen, vergeten, besloten en hersteld.

Eindigt met ‘d’, ‘t’ of ‘en’

Een voltooid deelwoord eindigt vaak op een ‘d’ (geverfd, ontvoerd, hersteld), ‘t’ (gewerkt, bedankt, verrast) of ‘en’ (bedrogen, verzonnen, ontworpen).

Gebruikt hulpwerkwoord

Bij een voltooid deelwoord hoort altijd een hulpwerkwoord. Veel voorkomende hulpwerkwoorden zijn: zijn, hebben en worden. Bijvoorbeeld: ‘hij heeft gedanst’, ‘zij zijn bedrogen’, ‘wij hebben ontvoerd’, ‘ik ben verrast’.

Het hulpwerkwoord is het werkwoord dat verandert als de zin in een andere tijd wordt gezet. In de eerder genoemde voorbeelden kan de tijd als volgt worden veranderd: ‘hij had gedanst’, ‘zij waren bedrogen’, ‘wij hadden ontvoerd’, ‘ik ben verrast’.

Verandert niet

Wanneer het onderwerp van de zin wordt gewijzigd of de tijd waarin de zin staat, blijft het voltooid deelwoord hetzelfde. Bijvoorbeeld: ‘ik heb gestolen’, ‘ik had gestolen’, ‘zij had gestolen’, ‘wij hadden gestolen’.

3.2. Soorten voltooid deelwoorden

Als u het voltooid deelwoord heeft herkend in een zin is het belangrijk om het voltooid deelwoord correct te spellen. Het voltooid deelwoord kent regelmatige en onregelmatige werkwoorden.

Regelmatige werkwoorden

Regelmatige werkwoorden eindigen op een ‘d’ of een ‘t’. Als het voltooid deelwoord eindigt op een letter uit ’t kofschip (dat wil zegen de letters: t, k, f, s, ch, p maar ook x) dan eindigt het voltooid deelwoord op een ‘t’. In de andere gevallen eindigt het voltooid deelwoord op een ‘d’.

Bijvoorbeeld: ‘hij heeft gepakt‘, ‘zij hebben gefietst‘, ‘jullie hebben geprobeerd‘,’zij heeft gerend‘.

Onregelmatige werkwoorden

Onregelmatige werkwoorden eindigen vaak met ‘en’. Hier speelt ’t kofschip dus geen rol omdat de uitgang ‘en’ is in alle gevallen.

Bijvoorbeeld: ‘ik heb gelopen‘, ‘hij heeft gezwommen‘, ‘jij hebt gebakken‘, ‘wij hebben gegeven‘.

4. Gebiedende wijs

De gebiedende wijs krijgt in de meeste gevallen geen ‘t’ achter het werkwoord. Bijvoorbeeld: ‘Naomi pak dat stuk op!’ of ‘Youssef ga studeren!’.

Alleen bij vaste formuleringen en in verheven taalgebruik komt de ‘t’ achter het werkwoord. Bijvoorbeeld: ‘bezint eer gij begint’ of ‘weest solidair’.

Wanneer het onderwerp terugkomt in de zin dan wordt de eerder besproken tegenwoordige tijd besproken (de onvoltooid tegenwoordige tijd). Bijvoorbeeld: ‘loopt u even mee’, ‘wendt u zich tot mij’, ‘houden jullie afstand’.

 

Tolken

Klik hier voor het aanvragen van een offerte voor een tolkopdracht.

Direct een tolk reserveren? Bel nu: 030 - 2919940.

Vertalen

Klik hier voor het aanvragen van een offerte voor een vertaalopdracht.

Trainen

Wilt u zich aanmelden voor een cursus? Klik hier om de agenda te bekijken met al onze cursussen.