Doorhaling tolk onterecht ondanks gegrond verklaarde klachten

Op 26 november 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over de doorhaling van een tolk in het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv). In dit blog staat de vraag centraal in hoeverre de minister mag uitgaan van ernstige feiten omtrent de integriteit van een beëdigd tolk die zijn vastgesteld door de Klachtencommissie. Tevens wordt ingegaan op de publicatie in de Staatscourant van de gegevens van de doorgehaalde tolk.

1. Klachten en doorhaling

1.1. Klachten

De betrokken tolk stond sinds 2015 ingeschreven in het Rbtv voor de talencombinaties Nederlands – Arabisch (Irakees), Nederlands – Arabisch (Palestijns-Jordaans) en Nederlands – Arabisch (Syrisch-Libanees).

Op 31 oktober 2019 en 22 november 2019 ontving het Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers (Bureau Wbtv) twee klachten, afkomstig van Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (TVcN, thans Global Talk) en de Raad voor Rechtsbijstand (RvR). In de klachten werd gesteld dat de tolk onbevoegd gebruik had gemaakt van het klantaccount van de RvR om niet-bestaande tolkopdrachten aan te maken.

Deze opdrachten zou hij vervolgens met zijn eigen tolkaccount hebben geaccepteerd en kort voor aanvang, binnen vier uur, hebben geannuleerd. Daardoor zou hij aanspraak hebben gemaakt op volledige annuleringsvergoedingen. Volgens de klagers had hij over de periode 2017 tot en met 2019 in totaal € 45.000 aan vergoedingen onterecht ontvangen.

De Klachtencommissie verklaarde de klachten gegrond en adviseerde de minister tot doorhaling in het Rbtv en een inschrijvingsverbod van tien jaar.

Lees ook: Gegronde klachten over tolken/vertalers met een derde gestegen

1.2. Doorhaling

Bij besluit van 23 juni 2020 haalde de minister de inschrijving van de tolk met ingang van 1 juli 2020 door en bepaalde dat hij tot en met 1 juli 2025 geen nieuw verzoek tot inschrijving kon indienen.

De minister stelde zich op het standpunt dat sprake was van ernstige feiten die de integriteit betroffen. Volgens de minister had de tolk evident ten onrechte annuleringsvergoedingen ontvangen en niet teruggestort. Tevens werd aangekondigd dat van de doorhaling mededeling zou worden gedaan in de Staatscourant.

2. Oordeel rechtbank en Afdeling

2.1. Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelde dat de minister zich, reeds vanwege het niet terugstorten van onverschuldigde annuleringsvergoedingen over de periode 2017–2019, redelijkerwijs op het standpunt had kunnen stellen dat sprake was van ernstige feiten omtrent de integriteit.

Tegelijkertijd oordeelde de rechtbank dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid voor zover het was gebaseerd op het zelf aanmaken, accepteren en annuleren van niet-bestaande opdrachten, omdat de minister zich uitsluitend had gebaseerd op door de klagers aangeleverde gegevens zonder deze zelfstandig te verifiëren.

Verder kwalificeerde de rechtbank de publicatie in de Staatscourant als een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat en oordeelde zij dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden ten aanzien van publicatie van de volledige naam.

Lees ook: Niet eens met Bureau Wbtv: wat te doen?

2.2. Oordeel Afdeling

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) overwoog dat niet aannemelijk was geworden dat de tolk zelf niet-bestaande opdrachten had aangemaakt en geannuleerd, mede omdat de minister geen eigen onderzoek had verricht en nader onderzoek niet meer mogelijk was.

Verder overwoog de Afdeling dat annuleringsvergoedingen in beginsel niet onverschuldigd zijn, nu uit de dienstverleningsovereenkomst volgt dat bij tijdige annulering recht op vergoeding bestaat. De minister had niet aannemelijk gemaakt dat de tolk wist of had moeten weten dat het ging om niet-bestaande opdrachten of ten onrechte uitbetaalde bedragen. Ook uit de hoogte en frequentie van de vergoedingen kon dat niet zonder meer worden afgeleid.

Het besluit van 12 november 2020 was daarom in strijd met de wet en werd vernietigd. De Afdeling herzag tevens het primaire besluit van 23 juni 2020 en bepaalde dat de doorhaling ongedaan moest worden gemaakt.

Ten aanzien van de publicatie oordeelde de Afdeling dat artikel 11 Wbtv een gebonden bevoegdheid betreft. De minister hoeft geen afzonderlijke belangenafweging te maken over publicatie van naam en nummer, nu aansluiting bij de registergegevens gerechtvaardigd is.

3. Conclusie

3.1. Zorgvuldigheid en bewijslast

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in deze uitspraak duidelijk gemaakt dat een doorhaling uit het Rbtv wegens vermeende integriteitsschending alleen stand kan houden indien de feiten zorgvuldig en zelfstandig zijn vastgesteld. Het enkel overnemen van door derden, in dit geval de klagers, aangeleverde gegevens zonder eigen onderzoek is onvoldoende.

3.2. Publicatie Staatscourant

Verder bevestigt de uitspraak dat publicatie in de Staatscourant bij een doorhaling een wettelijk verplichte en gebonden bevoegdheid betreft waardoor de minister in beginsel gehouden is om van een beschikking tot doorhaling mededeling te doen en daarbij mag aansluiten bij de gegevens uit het Rbtv. Voor een afzonderlijke belangenafweging over het al dan niet publiceren van naam en Wbtv-nummer van de tolk bestaat daarom geen ruimte.

 
Tolk aanvragen
Tolk aanvragen
Tolk aanvragen
Vertaler aanvragen
Vertaler aanvragen
Vertaler aanvragen
Dit bericht is geplaatst in Tolken.
  • Deel dit bericht via: