Niet iedere tolk die bij de overheid wordt ingezet, is een beëdigde tolk. Toch zijn overheidsinstanties in straf- en vreemdelingenzaken in veel gevallen juist verplicht om een tolk uit het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) in te zetten. Wat gebeurt er als dat niet lukt?
Een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag laat zien dat een overheidsinstantie niet zonder meer naar een niet-beëdigde tolk mag uitwijken. De reden daarvoor moet worden vastgelegd en gemotiveerd. Tegelijkertijd betekent een fout bij de keuze van de tolk niet automatisch dat de hele procedure onrechtmatig is.
1. Oezbeekse man kreeg een niet-beëdigde tolk
In een recente zaak ging het om een man uit Oezbekistan aan wie een inreisverbod en vreemdelingenbewaring waren opgelegd.
Tijdens de gehoren werd een tolk Oezbeeks ingezet. Die tolk bleek voor het Oezbeeks echter niet als beëdigde tolk in het Rbtv te staan. De minister voerde aan dat de betreffende tolk wel sinds 2020 als C1-tolk voor Nederlands-Uyghur was geregistreerd en dat het Uyghur nauw verwant is aan het Oezbeeks.
Dat was volgens de rechtbank niet voldoende.
1.1. Beëdigd voor een andere taal is niet hetzelfde
De rechtbank stelde vast dat bij de gehoren voor het Oezbeeks een niet-beëdigde tolk was gebruikt. Dat de tolk voor een nauw verwante andere taal wél als beëdigd tolk was ingeschreven, veranderde dat in beginsel niet.
Daarmee was echter nog niet gezegd dat deze tolk zijn werk niet goed had gedaan. Het probleem zat in deze zaak vooral in de wijze waarop van de wettelijke hoofdregel was afgeweken.
2. Overheidsinstanties hebben een afnameplicht
Artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) kent voor bepaalde organisaties een zogenoemde afnameplicht. Onder meer gerechten, het Openbaar Ministerie, de IND, politie en Koninklijke Marechaussee moeten in straf- en vreemdelingenzaken in beginsel gebruikmaken van tolken en vertalers uit het Rbtv.
Dat register wordt beheerd door Bureau Wbtv, onderdeel van de Raad voor Rechtsbijstand.
Lees ook: De afnameplicht voor tolk- en vertaaldiensten uitgelegd
2.1. Binnen het Rbtv bestaan C1- en B2-tolken
Ook binnen het Rbtv bestaat onderscheid. Een tolk kan op taalvaardigheidsniveau C1 of B2 zijn ingeschreven.
Voor afnameplichtige overheidsorganisaties geldt contractueel dat een C1-tolk de voorkeur heeft. Pas wanneer geen C1-tolk beschikbaar is, kan worden uitgeweken naar een B2-tolk.
Een B2-tolk in het Rbtv is overigens óók een beëdigde tolk. Het verschil tussen C1 en B2 moet dus niet worden verward met het verschil tussen een beëdigde en een niet-beëdigde tolk.
Lees ook: Wijziging beoordelingskader B2-tolk per 1 januari 2024
3. Maar niet iedere professionele tolk staat in het Rbtv
In de praktijk is het systeem ingewikkelder dan alleen “registertolk” en “geen tolk”.
Naast het Rbtv bestaat bijvoorbeeld de Uitwijklijst van Bureau Wbtv. Daarop staan tolken en vertalers die niet beëdigd zijn voor de betreffende taal, maar wel aan bijna dezelfde voorwaarden voldoen als voor het Rbtv. Het belangrijke verschil is dat zij voor één van hun talen niet kunnen aantonen dat zij die op het vereiste niveau beheersen, omdat voor die taal geen geschikte opleiding of toets beschikbaar is.
Dat is met name relevant bij minder gangbare talen. Juist daar kan het moeilijk zijn om een gekwalificeerde registertolk te vinden.
3.1. Noodlijsten en aspirant-tolken
Daarnaast kan in de uitvoeringspraktijk met aanvullende bestanden of lijsten van intermediairs worden gewerkt wanneer geen geschikte registertolk beschikbaar is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om niet-registertolken of aspirant-tolken.
Dat betekent dat iemand die door een tolkbureau of overheidsintermediair wordt ingezet niet noodzakelijk voor die taal in het Rbtv staat.
Voor een tolkgebruiker is het onderscheid niet altijd zichtbaar. Wie tijdens een gesprek simpelweg te horen krijgt dat “de tolk” aanwezig is, weet daarmee nog niet of het gaat om een C1-registertolk, een B2-registertolk, iemand van de Uitwijklijst of een andere niet-registertolk.
4. Wanneer mag de overheid een niet-beëdigde tolk gebruiken?
De Wbtv houdt rekening met situaties waarin een registertolk niet beschikbaar is. Van de afnameplicht mag onder omstandigheden worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer vanwege de vereiste spoed niet tijdig een beëdigde tolk beschikbaar is.
Maar daar hoort een belangrijke verplichting bij: de afwijking moet schriftelijk en gemotiveerd worden vastgelegd.
Precies daar ging het in de Oezbeekse zaak mis.
4.1. De reden voor de afwijking was onvoldoende duidelijk
Volgens de rechtbank was in de verschillende processen-verbaal niet op een eenduidige manier vastgelegd waarom geen beëdigde tolk Oezbeeks was gebruikt. Soms stond er wel een reden, soms niet.
De rechtbank vond dat een gebrek. De overheid had onvoldoende gemotiveerd waarom van de hoofdregel van artikel 28 Wbtv was afgeweken.
5. Betekent een niet-beëdigde tolk dat het gehoor ongeldig is?
Nee, niet per definitie. Dat is misschien wel het interessantste onderdeel van de uitspraak.
De rechtbank stelde weliswaar vast dat ten onrechte niet goed was gemotiveerd waarom een niet-beëdigde tolk was ingezet, maar daarmee waren de bewaring en het inreisverbod nog niet automatisch onrechtmatig.
Er moest ook worden gekeken naar de gevolgen van die fout.
De Oezbeekse man had tijdens het gehoor aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Uit de stukken bleek volgens de rechtbank evenmin dat zich problemen met de vertaling of verstaanbaarheid hadden voorgedaan.
De man was daardoor volgens de rechtbank niet daadwerkelijk in zijn belangen geschaad. Het gebrek bleef dus bestaan, maar leidde niet tot het vervallen van het inreisverbod of de vreemdelingenbewaring.
Dat het ook anders kan aflopen, blijkt uit een eerdere uitspraak van dit jaar. In die zaak oordeelde de rechtbank dat de IND onzorgvuldig had gehandeld door geen beëdigde tolk in te zetten. Anders dan in de hiervoor besproken zaak had dit wél gevolgen: de rechtbank vernietigde het besluit.
Lees ook: IND onderuit door ontbreken beëdigde tolk
6. Waarom is dit belangrijk voor tolken én tolkgebruikers?
De uitspraak maakt twee zaken duidelijk.
Voor overheidsinstanties is het niet voldoende om alleen te constateren dat er “een tolk” nodig is. Bij de afnameplicht moet eerst worden gekeken naar het Rbtv en geldt bij de betrokken overheidscontracten bovendien de volgorde C1 vóór B2. Als uiteindelijk een niet-beëdigde tolk wordt ingezet, moet een afwijking van artikel 28 Wbtv worden gemotiveerd.
Voor tolken is tegelijkertijd belangrijk dat het ontbreken van een Rbtv-inschrijving niet automatisch betekent dat iemand geen professionele tolk kan zijn. Zeker voor kleinere talen kan het aanbod beperkt zijn en bestaan naast het Rbtv andere mogelijkheden om tolken in te zetten.
Dat spanningsveld wordt groter doordat de overheid veel tolken nodig heeft. Er bestaan al langer zorgen over de capaciteit en vergrijzing van het bestand aan registertolken. Tegelijkertijd staan de vergoedingen en de wijze waarop overheidsopdrachten via intermediairs worden georganiseerd onder druk en zijn deze onderwerpen nog steeds onderwerp van overleg en monitoring.
6.1. De kwaliteit van de tolk én de procedure tellen
De uitspraak laat uiteindelijk een belangrijk onderscheid zien. De vraag of een tolk goed heeft getolkt, is niet precies dezelfde vraag als de vraag of die tolk volgens de Wbtv voor die opdracht had mogen worden ingezet.
In deze zaak begreep de vreemdeling de tolk volgens de rechtbank goed. Toch had de overheid beter moeten vastleggen waarom geen beëdigde tolk Oezbeeks was ingezet.
Voor tolken is dat belangrijk, omdat hun persoonlijke kwaliteit niet noodzakelijk ter discussie staat wanneer een rechter een gebrek bij de inzet van de tolk vaststelt. En voor tolkgebruikers is het belangrijk om te weten dat zij bij bepaalde straf- en vreemdelingenrechtelijke procedures in beginsel mogen verwachten dat volgens de regels van de Wbtv een registertolk wordt ingezet.
Lees ook: De rol van tolken in asielprocedures: een juridische casus
7. Een niet-beëdigde tolk kan dus wel degelijk gevolgen hebben
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep uiteindelijk ongegrond. Het gebruik van de niet-beëdigde tolk maakte de maatregel in deze specifieke zaak niet onrechtmatig.
Dat maakt de vaststelling van de rechtbank echter niet onbelangrijk. De hoofdregel blijft dat afnameplichtige instanties in straf- en vreemdelingenzaken gebruikmaken van tolken uit het Rbtv. Als daarvan wordt afgeweken, moet daar een goede reden voor bestaan en moet die reden worden vastgelegd.
De uitspraak onderstreept daarmee niet alleen het belang van een goede tolk, maar ook van een zorgvuldige keuze en registratie van de tolk die wordt ingezet.

